Waarom de publieke dienstverlening onze welvaart bedreigt
Inleiding
Volgens de Commissie Draghi is duurzame economische groei alleen te bereiken door de productiviteit te verhogen, met aandacht voor thema’s als innovatie, CO2-reductie en concurrentievermogen (Draghi, 2024). In het verlengde hiervan formuleert ook het rapport van Wennink allerlei aanbevelingen om innovaties te bevorderen en de Nederlandse concurrentiekracht te versterken (Wennink, 2025). Beide rapporten negeren echter volledig het belang van de rol van de publieke sector als een aanzienlijk onderdeel van de economie: publieke diensten dragen bij aan de totale factorproductiviteit en aan het welzijn van de samenleving, maar ze verbruiken tegelijkertijd middelen die niet door andere sectoren kunnen worden ingezet. De negatieve ontwikkelingen in de publieke sector, in het bijzonder van de productiviteit, vormen een ernstige bedreiging voor onze welvaart. Dit artikel laat aan de hand van welvaartstheorie en een semi-fictief voorbeeld zien waarom dat zo is. De wiskundige berekeningen zijn hierbij achterwege gelaten.
Theorie
Productiecapaciteit en productie
Centraal staat afbeelding 1. Uitgangspunt is een economie die slechts twee goederen produceert. Het ene goed wordt markt genoemd, het andere publiek. Deze economie beschikt over een bepaalde productiecapaciteit, zoals die bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in de omvang van de beroepsbevolking. De productiecapaciteit wordt ingezet om de twee goederen te produceren. Zo kan deze economie er voor kiezen om 10 eenheden markt en 0 eenheden publiek voort te brengen, 0 eenheden markt en 10 eenheden publiek of combinaties hiervan. De doorgetrokken curve weerspiegelt al deze mogelijkheden, door economen aangeduid als de transformatiecurve.
Afbeelding 1: Transformatiecurve publiek en markt, technische en allocatieve ondoelmatigheid
Technische ondoelmatigheid
Uiteraard is het ook mogelijk om combinaties te produceren die onder de curve liggen. Een economie produceert dan minder dan technisch mogelijk: er is sprake van technische ondoelmatigheid. Een economie die de hoeveelheden van A produceert, respectievelijk 8 en 4 eenheden, realiseert maar 89 procent van de productie die technisch haalbaar is in A’ (8,94 en 4,47). Hiervoor zijn allerlei oorzaken aan te wijzen, zoals een slechte bedrijfsvoering, overbodige regelgeving, verkeerde economische prikkels en slecht toezicht.
Totale welvaart en allocatieve ondoelmatigheid
De maatschappelijke waardering voor de goederen en diensten is in het bovenstaande nog niet verwerkt. Stel dat beide goederen even hoog gewaardeerd worden, dan krijgen zij beiden een prijs van 1. De maatschappelijke waarde in punt A is dan gelijk aan 12, in A’ gelijk aan 13,4 en in A’’ zelfs nog hoger, namelijk 14,1. Het punt A’’ heeft de hoogste maatschappelijke waarde en is op basis van wiskundige optimalisatie eenvoudig uit te rekenen. In waardetermen is de doelmatigheid zelfs gedaald naar 85 procent (= 12/14,1). De technische doelmatigheid wordt dus met nog eens een factor van 95 procent (= 13,4/14,1) verlaagd. Dit staat bekend als allocatieve (on)doelmatigheid. In feite geeft dit cijfer aan dat vanuit een maatschappelijk oogpunt en de bestaande waardering van goederen deze economie een verkeerde mix aan goederen voortbrengt.
Technische progressie en regressie
Als gevolg van technische en institutionele ontwikkelingen kan de transformatiecurve in afbeelding 1 in de loop der tijd verschuiven. Als er sprake is van technische progressie dan schuift de curve naar rechts. Een economie is dan in staat met dezelfde productiecapaciteit meer productie te leveren. In het geval van technische regressie geldt het omgekeerde: een economie levert minder productie bij dezelfde productiecapaciteit.
Het voorbeeld gaat uit van een jaarlijkse verbetering van 1,5 procent technische progressie voor de productie in de markt en 1,5 procent technische regressie voor publieke productie. Deze gegevens worden toegepast voor een periode van vijftien jaar. Afbeelding 2 laat zien wat de gevolgen hiervan zijn. Het bovenste deel van de curve is naar buiten verschoven, het onderste deel naar binnen.
Afbeelding 2: Transformatiecurve publiek en markt na 15 jaar, technische progressie en regressie
De stippellijn geeft nu de nieuwe transformatiecurve weer. Bij dezelfde waardering voor beide goederen levert de combinatie in punt B (Ym = 10,4; Yp =4,6) de optimale maatschappelijke waarde weer (= 15). In het meest optimistische scenario groeit de welvaart dan met een schamele 0,4 procent per jaar. In de praktijk gebeurt er, door de invloed van uiteenlopende belangen, iets anders. Politici, ambtenaren en belangenorganisaties zullen trachten de huidige productie van publieke goederen te handhaven of zelfs op te voeren (Niskanen, 1968, 1975; Parkinson, 1955). Indien deze actoren in staat zijn om 8 eenheden van de publieke productie te handhaven, daalt de productie van de markt noodgedwongen naar 3,5 (punt B’). De gerealiseerde welvaart vermindert in dat geval naar 11,5. De allocatieve doelmatigheid daalt tot 77 procent, terwijl deze in de oorspronkelijke situatie nog 95 procent was. Dit komt overeen met een jaarlijks verlies in welvaart van 1,8 procent. Nederland heeft dan veel van zijn welvaart ingeleverd, het grootste deel van de beroepsbevolking werkt in de publieke sector en veel burgers gaan gebukt onder hoge belastingen of eigen bijdragen voor publieke voorzieningen.
Kanttekening
Het bovenstaande voorbeeld is slechts bedoeld als illustratie. De rekenkundige invulling tracht vooral een dramatisch effect te sorteren. Niettemin zijn de gekozen cijfers niet helemaal uit de lucht komen vallen. Veel publicaties over de prestaties van de publieke sector laten sombere ontwikkelingen zien. Productiviteitsdalingen van tientallen procenten in de afgelopen twintig jaar zijn geen uitzondering. Grote delen van het onderwijs, de Justitie en Veiligheidsketen, de zorg en overheidsorganisaties zijn daar voorbeelden van (Blank & van Heezik, 2025). Eerdere publicaties wierpen ook al een licht op de fundamentele oorzaken hiervan (Blank, 2023).
De berekening valt ook anders uit als de maatschappij publieke diensten steeds hoger waardeert. Het optimum B verschuift dan langs de curve naar rechts. Wellicht heeft een deel van de burgers inmiddels een zekere mate van materiële verzadiging bereikt en is bereid een groter offer te brengen voor de instandhouding van publieke diensten. Vooralsnog lijkt het daar niet op, gezien het verzet tegen hogere belastingen en eigen bijdragen.
Conclusie
De publieke dienstverlening beslaat ruim 40 procent van onze economie en bepaalt voor een substantieel deel de uitkomst van onze welvaart, zo blijkt uit het voorafgaande. Een eerdere studie naar de ziekenhuissector toont aan hoe in de loop van de tijd deze sector de arbeidsmarkt aan het leeghalen is (Blank & van Heezik, 2024; Blank, 2026). Analyses van uitvoeringsorganisaties zouden een vergelijkbaar beeld opleveren. Hervormingen in de publieke dienstverlening zijn daarom onvermijdelijk. Ook publieke diensten zullen in de toekomst aanzienlijk productiever moeten worden. De rapporten van Draghi en Wennink besteden hier onvoldoende aandacht aan. Alleen bij een exorbitante groei van de productiviteit in de marktsector kan de markt op termijn de last van de publieke dienstverlening dragen. Vanuit een dynamisch perspectief geldt echter dat de markt dit nooit kan leveren zonder een goed functionerende publieke dienstverlening.
Het huidige Kabinet heeft een Productiviteitsraad ingesteld die met voorstellen moet komen om de productiviteit van de Nederlandse economie te verhogen. Het is te hopen dat deze raad meer oog heeft voor de publieke sector en voor de publieke sector een hoger ambitieniveau heeft dan het huidige Kabinet verwoord heeft in het Regeerakkoord.
Referenties
Blank, J. L. T. (2026). Naar een productieve overheid. De wetenschap van productiviteit, doelmatigheid en prestaties in de publieke dienstverlening. Delft.
Blank, J. L. T. (2023). Overheidsbeleid lijdt aan het Münchhausen ‘ by proxy ’ syndroom. Hoe de Nederlandse overheid al veertig jaar de ziekte van Baumol in de publieke dienstverlening aanwakkert. Delft.
Blank, J. L. T., & van Heezik, A. A. S. van. (2024). The sustainability of hospital care in the Netherlands from a labour market perspective: a time series analysis of the Baumol effect between 2000 and 2021. Economies, 12(215), 14.
Blank, J. L. T., & van Heezik, A. A. S. (2025). Presteren met publieke middelen. Delft.
Draghi, M. (2024). The Future of European Competitiveness Part A: A competitiveness strategy for Europe. European Committee.
Niskanen, W. A. (1968). The Peculiar Economics of Bureaucracy. American Economic Review, 57(2), 293–321.
Niskanen, W. A. (1975). Bureaucrats and Politicians. The Journal of Law and Economics, 18(3), 617–643.
Parkinson, C. N. (1955). Parkinson’s Law. The Economist, (November 19).
Wennink, P. (2025). DE ROUTE NAAR TOEKOMSTIGE WELVAART Een sterk Nederland in een relevant Europa. Veldhoven.


